Tewerkstelling in EER verband: algemene regels en administratieve beslissingen

In het kader van een gelijktijdige beroepsactiviteit op het grondgebied van verschillende lidstaten van de Europese Unie is het belangrijk om het socialezekerheidsstelsel te kennen dat van toepassing is op mobiele werknemers. Eén van de grote successen van de Europese Commissie is dat ze de verschillende socialezekerheidsstelsels in de hele Europees Economische Ruimte (EER) heeft gecoördineerd. Het betreft geen harmonisatie – elke lidstaat heeft zijn eigen regime behouden – maar wel van een coördinatie van de stelsels door middel van verordeningen. Deze verordeningen zorgen ervoor dat het vrije verkeer van personen en in het bijzonder van degenen die beroepswerkzaamheden uitoefenen wordt vergemakkelijkt. Echter, sinds de totstandkoming van deze verordeningen riepen zij reeds vele interpretaties op. Hierdoor zag de (Europese) Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels het licht. De hieronder becommentarieerde administratieve beslissing is echter afkomstig van de Belgische autoriteiten (administratieve beslissing van 21 december 2017). Ze is revolutionair in die zin dat de beslissing terug komt op een Belgische administratief standpunt dat reeds sinds enkele jaren wordt toegepast.

Het doel van de verordeningen

De toepasselijke socialezekerheidswetgeving wordt voor migrerende werknemers binnen de EER aangeduid door de Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels ("Verordening nr. 883/2004"). Bovendien bevat de Verordening nr. 987/2009 van 16 september 2009 gedetailleerde regels voor de toepassing van de Verordening 883/2004 betreffende de coördinatie van socialezekerheidsstelsels.

Het Europese systeem van coördinatie van de nationale socialezekerheidsstelsels – bestaande uit de twee coördinatieverordeningen – vertoont twee hoofdkenmerken: het betreft enerzijds de coördinatie van (diverse) nationale socialezekerheidstelsels binnen de EER bij een internationale tewerkstelling, en anderzijds, het beschermen van de rechten inzake sociale zekerheid van diegenen die onderworpen zijn aan diverse stelsels inzake sociale zekerheid. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) heeft reeds bepaald dat de artikelen (45 tot en met 48 VWEU) zich verzetten tegen het feit dat migrerende werknemers, wegens het uitoefenen van hun recht op vrij verkeer, socialezekerheidsvoordelen verliezen die de wetgeving van een lidstaat hen in principe garandeert; dit zou Europese werknemers ervan kunnen weerhouden hun recht op vrij verkeer uit te oefenen en zou aldus een belemmering van die vrijheid uitmaken. Het Europees Unierecht kan echter de mogelijkheden van de nationale lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels aan te passen, in bijzonderheid wat betreft de regels van aansluiting aan het nationale stelsel, de toekenningsvoorwaarden van de verschillende uitkeringen, niet aantasten. Niettemin moeten de lidstaten bij de uitoefening van die bevoegdheid het Europees Unierecht eerbiedigen.

Bepaling van de toepasselijke wetgeving

De wetgeving die van toepassing is op het vlak van de sociale zekerheid bij een internationale tewerkstelling , wordt aldus krachtens het Europese Unierecht aangeduid door de Verordening nr. 883/2004.

Het doel van de Verordening nr. 883/2004 bestaat er niet alleen in om de gelijktijdige toepassing van verschillende nationale wetten en de moeilijkheden die daaruit kunnen voortvloeien te vermijden, maar ook om te voorkomen dat geen bescherming op vlak van sociale zekerheid (meer) hebben wanneer ze migreren binnen de EER. Daarom, wat de bepaling van de toepasselijke wetgeving inzake sociale zekerheid betreft, hebben de lidstaten niet langer de bevoegdheid om te bepalen welk recht van toepassing is op migrerende werknemers in de EER.

Overigens is de krachtens de verordening vastgestelde wetgeving van toepassing op het geheel van de beroepsactiviteiten die uitgeoefend worden binnen de EER.

Wat de kwalificatie van de beroepsactiviteiten betreft verwijst de Verordening nr. 883/2004 naar de begrippen 'zelfstandige' of 'werknemer' naar de definities zoals bepaald door de lidstaten waar de beroepswerkzaamheden worden geleverd. Daarom moet de door de wetgeving van elke lidstaat verleende kwalificatie worden geanalyseerd om op basis van Verordening nr. 883/2004 te bepalen welk land bevoegd is voor de sociale zekerheid.

Bepaling van het toepasselijke socialezekerheidsstelsel

Derhalve, van zodra is vastgesteld welke lidstaat bevoegd is op het vlak van de sociale zekerheid overeenkomstig de bepalingen van de Verordening nr. 883/2004, op basis van de toepassing van de toewijzingsregels van de Verordening, moet nog worden bepaald onder welk(e) sociale zekerheidstelsel(s) de migrerende persoon volgens de wetgeving van de bevoegde staat valt, m.a.w. in beginsel onder het socialezekerheidsstelsel voor werknemers en/of onder het socialezekerheidsstelsel voor zelfstandigen (deze stelsels zijn inderdaad het meest verspreid in de lidstaten).

Artikel 17bis van de preambule van bovengenoemde verordening bepaalt in die zin dat  "Zodra overeenkomstig titel II van deze verordening de wetgeving van een lidstaat op een persoon van toepassing wordt, moeten de voorwaarden inzake de aansluiting en het recht op uitkeringen worden bepaald door de wetgeving van de bevoegde lidstaat, met inachtneming van de communautaire wetgeving." Aldus, wanneer de wetgeving van een lidstaat krachtens de Europese verordening van toepassing is werd gemaakt, moet in een tweede fase de situatie worden onderzocht met betrekking tot de onderwerping van de activiteiten van de betrokkene aan het socialezekerheidsstelsel in de ogen van de nationale wetgeving van die lidstaat, waarbij geen rekening wordt gehouden met de kwalificaties die zijn verleend (om te bepalen welke lidstaat bevoegd is voor socialezekerheidsaangelegenheden) krachtens de Verordening nr. 883/2004.

Zo zal, na te hebben vastgesteld welke nationale socialezekerheidswetgeving van toepassing is op grond van de in de Europese Verordening nr. 883/2004 bedoelde collisieregels (eerste fase van de redenering waarin wordt verwezen naar de juridische kwalificaties die door de betrokken lidstaten zijn verleend voor de op het grondgebied uitgeoefende functies), de rechtspositie van deze personen dus worden beheerst door de wetgeving van die lidstaat, voornamelijk wat de regels inzake de aansluiting aan het nationale stelsel betreft. Deze personen worden vervolgens voor de toepassing van de overeenkomstig deze bepalingen vastgestelde wetgeving behandeld alsof zij al hun werkzaamheden, al dan niet in loondienst, verrichtten en al hun inkomsten in de betrokken lidstaat ontvingen. Dit betreft de tweede fase van de redenering. Deze positie werd recent ingenomen door de Belgische administratie en zet een jarenlange interpretatie op de helling.

In een volgende bijdrage gaan we na hoe de dekking inzake sociale zekerheid voor mobiele werkers in de EU geregeld is.

 

Auteur: Stefan Nerinckx, Advocaat-vennoot - Fieldfisher LLP Brussel