Marnix van Sint-Aldegonde: vaderlandsliefde als ballingschap
Hoe diep moet ik gaan om u Philips van Marnix van Sint-Aldegonde voor te stellen?
Geboren in Brussel in 1540, opgegroeid in een adellijke familie, gevormd o.m. in Genève bij Calvijn, buitenburgemeester van Antwerpen tijdens het beleg en de val van de stad in 1585, vertrouweling van Willem van Oranje en één van de architecten van de Opstand der Nederlanden tegen Filips II van Spanje: Marnix van Sint-Aldegonde was diplomaat, polemist, dichter, staatsman en misschien de auteur van het Wilhelmus. Hij was geen ‘Vlaming in de Wereld avant-la-lettre’ maar iets in hem zegt me dat ik zo meteen, na een buitenlandse omweg, op hem moet terugkomen.
De Franse auteur Edgar Quinet behoeft misschien iets meer introductie. Geboren in 1803, overleefde hij revoluties, regimes en restauraties, en groeide uit tot één van de grote republikeinse intellectuelen van negentiende-eeuws Frankrijk: Edgar Quinet was historicus, essayist, dichter, hoogleraar aan het Collège de France, en een man die voortdurend in aanvaring kwam met macht. Na de staatsgreep van Napoleon III in 1851 belandde hij in ballingschap, onder meer in Zwitserland en in Brussel.
In 1854 publiceerde hij zijn vandaag vrijwel vergeten boek - en ik vertaal de titel: De stichting van de Republiek der Verenigde Provinciën: Marnix van Sint-Aldegonde. En zo heeft u meteen ook een antwoord op de vraag: ‘sinds wanneer schrijft een Fransman met bewondering over de Lage Landen?’
Quinet herkende in Marnix een geestverwant, een intellectueel die probeerde een land bijeen te houden terwijl het onder zijn ogen uiteenviel, een historische figuur die een bepaald idee van vaderlandsliefde belichaamde: de gehechtheid aan een huis, kosmopolitisch, rusteloos, humanistisch en vrij.
Banneling Quinet zag in Marnix iemand die een andere vorm van exil had meegemaakt, de ervaring dat het Vlaanderen waarvoor hij had gestreden, na de Spaanse herovering en de Contrareformatie zo diepgaand was veranderd dat hij het niet meer herkende.
En dat is de reden waarom ik een buitenlandse omweg nodig had. Over Marnix schrijft Quinet het volgende, een citaat dat hem meer dan zijn dikke historische studies heeft overleefd:
‘Ware ballingschap is niet uit zijn land verdreven worden, maar er blijven wonen en niets meer terugvinden van wat men er liefhad.’
Nog niet zo lang geleden publiceerde een andere Franse auteur, Régis Debray, een boekje met de rijmende titel L'exil à domicile. Daarvan herinner ik me vooral dat het nogal hermetisch was, behalve dat hij in snorren en baarden, zoals wij die droegen en dragen, een plaats in de geschiedenis probeert te lezen.
Maar de kern is helder genoeg: een mens kan zich ook in zijn eigen land stilaan een vreemdeling gaan voelen. Wijdt Debray het aan ‘onze gevorderde’ leeftijd, ik wijd het aan de snelheid waarmee vandaag referentieboeien worden vervangen.
Voor wie dit vanuit een ander land leest, kan dat vertrouwd klinken. Misschien bent u zelf wel vertrokken omdat u zich liever een vreemdeling in den vreemde voelt dan een vreemdeling thuis.
Ik begrijp dat. Ik lijd zelf aan een ernstige vorm van bilocatie: nee, niet de vermeende paranormale kunst om op twee plaatsen tegelijk te zijn, maar ik voel me wel altijd een banneling, zowel thuis als elders.
Maar in plaats van te vertrekken met het vaderland als een oud zeer in mijn rugzak, blijf ik heen en weer reizen met daarin vader- èn gastland als hartzeer. Zoals Marnix. En daarom gun ik hem graag deze plaats bij onze historische Vlamingen in de Wereld.